kinderen.jpg

Rouwen om niets

 

Alleen de liefde kent jouw stem, heeft toegang tot jouw naam. (Lied 963:1)
In de maand november noemen we ieder jaar de namen van de mensen uit ons midden die in het afgelopen kerkelijk jaar overleden zijn. Het is voor mij een van de meest dierbare diensten.

Je voelt het verdriet wanneer de namen in de stille kerk klinken en tegelijk is er liefde, warmte en licht als de kaarsen gaan branden: een teken van verbondenheid met hen die wij gedenken, met God en met elkaar. Als we iemands naam noemen, dan heeft hij of zij bestaansrecht. Wie genoemd wordt is niet vergeten.
Maar hoe gedenk je diegene die geen naam heeft, maar die je wel mist? Hoe rouw je om iemand die je nooit hebt leren kennen? Het nieuwe leven waar je naar verlangde maar dat niet geboren werd of stierf in de moederschoot, het kleinkind dat niet kwam, de partner die je had willen overstelpen met liefde maar die je niet ontmoette… Mag dat verdriet ook een naam hebben?
Het lijkt een ongemakkelijk onderwerp te zijn. Vroeger werd er gezegd dat je het er maar niet meer over moest hebben, alsof je geen verdriet kunt hebben als degene die je mist wordt doodgezwegen. En ook nu nog wordt er soms makkelijk overheen gepraat met goedbedoelde woorden als ‘je bent nog jong genoeg, dus het komt vast goed met het kind of de partner waar je naar verlangt’ of ‘geniet maar van wat je wel hebt!’ Maar ook al blijf je hoop houden en geniet je van wat je wel hebt; het verdriet is er niet minder om.

Op Eeuwigheidszondag branden er kaarsen voor de mensen die wij moeten missen, de namen die ons dierbaar zijn, én er wordt een kaars aangestoken voor wie ongenoemd bleef. Daarmee creëren we warmte voor wie niet door mensen gemist wordt, maar wiens naam door God gekend wordt. Daarmee zetten we wie wel gemist wordt, maar geen werkelijkheid werd en geen naam kreeg, in het licht. In het huis van God mogen we rouwen om wie er niet is en toch zo’n grote rol in ons leven speelt. No questions asked.

ds. Emma Rijks